Programma’s

1 THE COLOURS OF MUSIC

The Colours of Music and Dance
In het programma The Colours of Music and dance brengt Duo Beumer & Van Ham stijlperiodes, vormen en kleuren bij elkaar. Te beginnen in de Franse barok, met een werk van Jean-Baptiste Lully (1632-1687). Vanuit de slotnoot van deze zinnelijke en flamboyante klankwereld volgt direct de Partita van Erwin Dressel (1909-1972). Bij hem komen neobarok en laatromantiek samen in een caleidoscoop van kleuren.

Ter ontspanning wordt u na dit grootse werk getrakteerd op ‘Plumpudding’ en ‘Linzer Tart’ uit de Croquembouches (grand dessert) van Claude Delvincourt (1888-1954). Deze componist was een goede vriend van Maurice Ravel.

Vervolgens neemt Duo Beumer & Van Ham u mee in de klankwereld van Fazil Say (1970). Deze Turkse pianovirtuoos wordt door velen beschouwd als een van de grootste meesters van deze eeuw, maar ook wel als het enfant terrible van de piano. In zijn Suite voor saxofoon en piano komt alles samen: oost en west, modern en traditioneel, ernst en humor. Dit alles ingebed in een ongekend ritmische structuur, waarbij Say zijn Turkse roots niet onder stoelen of banken steekt.

Tot slot krijgt u nog twee Croquembouches van Claude Delvincourt geserveerd: ‘Rahat Loukhoum’ (Turks fruit) en, voor de dorst, ‘Grenadine’.

Jean Baptiste Loeillet (1680-1730)
Air tendre et Courante
Dialogue de la guerre avec la paix

Jean Baptiste Loeillet behoorde tot een bekende Gentse muzikantenfamilie en studeerde in Gent, Parijs en Londen. Rond 1705 werd hij hoboïst aan het Queen’s Theatre (Haymarket). In 1707 ging hij over naar de opera en rond 1710 werd hij muziekleraar. Hij verkreeg als leraar en salonvirtuoos een grote naam. In zijn huis te Londen organiseerde hij concerten, waarop o.a. Corelli’s concerti grossi hun première beleefden. Loeillet liet voornamelijk kamermuziek na, waarin de fluit, de hobo en het klavecimbel een grote rol spelen.

Erwin Dressel (1909-1972)
Partita (1965)

Erwin Dressel was een Duitse componist en pianist. Dressel schreef veel opera's voor de Deutsche Staatsoper. Hij arrangeerde ook muziek voor de radio, concerteerde als pianist en schreef orkestmuziek, waaronder vier symfonieën; evenals concerten voor diverse instrumenten (waaronder één voor twee saxofoons).

De partita is gecomponeerd voor de beroemde saxofoon virtuoos Sigurd Raschèr, die het werk ook in première heeft gebracht. Het bestaat uit 5 delen, de muziek bevat elementen van de neobarok, maar de muziek is gecomponeerd in een laat romantische stijl. Hier en daar kan de goede luisteraar zelfs elementen van de muziek van Brahms en Straus horen. De partita is een mooi, uitgebalanceerd en diverterend werk.

Fazil Say (1970)                                  
Suite, op. 58 for saxophone and piano (2014)

De pianist en componist Fazil Say is als pianosolist kind aan huis bij alle grote orkesten rond de wereld. Tevens is hij ook een klein beetje het enfant terrible van de piano. Hij kan zijn publiek op onnavolgbare wijze meenemen in zijn uitvoeringen van grote klassieke werken, maar met het zelfde gemak omschakelen als een kameleon en al improviserend met een compositie van Mozart aan de haal gaan, niks is hem te gek.

In de suite voor saxofoon en piano worden beide instrumentalisten gevraagd tot het uiterste te gaan in de beheersing van hun instrumenten. Say geef een duidelijke inkijk in zijn Turkse afkomst en schuwt in dit werk de volksmuziek dan ook niet. Voor de toehoorder een spannend, soms amusant en afwisselend geheel, van vijf totaal verschillende delen, die toch onderling verbonden zijn en omvliegen in een zucht.

Claude Delvincourt (1988-1954) 
Croquembouches (1931)

Delvincourt was de zoon van diplomaat Pierre Delvincourt en Marguerite Fourès. Hij studeerde aan het Conservatorium van Parijs bij Leon Boëllmann en Henri Busser. Lessen in contrapunt kreeg hij van Georges Caussade en compositie van Charles–Marie Widor. Delvincourt won in 1910 de tweede prijs en 1913 de eerste prijs van de Prix de Rome voor de cantate Faust et Hélène. In 1913 deelde hij die prijs met Lili Boulanger.
Croquembouches bestaat uit een zestal korte delen, zeg maar het grand dessert, met titels als: Plumpudding, Negre en chemise of Rabat Loukhoum (turks fruit). Op humoristische wijze wordt de zoete, Franse dessertkaart bezongen.

2 STRIJKEN GEBLAZEN

Het programma Strijken Geblazen bestaat uit een aantal composities die oorspronkelijk zijn geschreven voor altviool of viool. Deze werken heeft Sander Beumer getranscribeerd voor altsaxofoon en piano: werken van Glinka, Villa Lobos, Vieuxtemps, Eccles, Wieniawsky, Glazunov en Bruch.

De saxofoon heeft qua speelmanieren en klankmogelijkheden een heel ander karakter dan de viool of de altviool. Daardoor krijgen deze werken een totaal nieuw en uniek karakter. Interessant is ook dat de speelmanieren, klankleur en articulatie van de saxofoon een heel ander karakter geven aan deze composities, maar los daarvan is het gewoon prachtige en zeer toegankelijke muziek.

Tevens spelen we binnen dit programma een aantal werken die door de componist zelf al in twee versies zijn gecomponeerd, voor de altsaxofoon of de altviool. Bijvoorbeeld de Suite Concertante (1949) van Hans Gál of de Sonate voor Saxofoon en Piano (1951) van Eduard Tubin.  

Henrik Wieniawski (1935-1880)         
Rêverie Op.45b voor piano/altviool (1885), Arr. S. Beumer

Henrik Wieniawski was de grootste viool virtuoos  van zijn tijd, met de Rêverie nam hij nam hij op dromerige en contemplatieve wijze afscheid van zijn leven als componist. Het werk lijkt te reminisceren naar zijn rol als altviolist, in de concertseries van de London Concerts of the Beethoven Quartet Society, waar hij samenspeelde met Joseph Joachim, Wilhelm Ernst en Alfredo Piatti. De ietwat dromerige, elegische melodie, de tweedelige recitatiefvorm, gelardeerd met triolen, laten dit afscheid in de lucht hangen, als een antwoord in zwijgende stilte. De Rêverie is vermoedelijk in 1875  gecomponeerd en voor het eerst gepubliceerd door Augener in Londen. Teven is dit werk de laatste compositie van Wieniawski.   

Eduard Tubin (1905-1982)              
Sonate for Alto Saxophone/Altoviolin & Piano (1951)       

De sonate voor altsaxofoon of altviool en piano van Eduard Tubin dateert uit 1951, het werk is geschreven in een sombere, vrije, dodecafonische stijl die reflecteert naar de moeilijke omstandigheden waarin de componist leefde, Zijn muziek is zelfs een periode verboden geweest in Estland, het geboorteland van Tubin. Mede dankzij de grote inzet van zijn landgenoot en inmiddels fameuze dirigent, Neeme Järvi, die in 1980 emigreerde uit  Estland om te starten aan zijn internationale dirigeercarrière, is de muziek van Tubin in ere hersteld en terug te vinden op de grote concertpodia. Na het grote succes van zijn 10de symfonie is vrijwel al het werk van Tubin ook opgenomen op cd. De Sonate voor saxofoon/altviool is een diep en complex werk, met rijke kleuren en texturen, denk hierbij aan een zijden doek, je kan hem tegen het licht houden en verschillende structuren zien, maar het blijft zijde.  

Luisteren
https://soundcloud.com/beumerenvanham/eduard-tubin-sonata-part-1-duo-beumer-van-ham?si=c8bc555c3d624d19993b6944d18dd21a&utm_source=clipboard&utm_medium=text&utm_campaign=social_sharing

Heitore Villa Lobos (1887-1959)  
O canto do Cisne Negro, W122/123 (1917), Arr. S. Beumer                                                                       

O canto do Cisne Negro is een gedeelte uit Villa-Lobos’ Symfonische gedicht Naufragio de Kleonicos. Het werk kenmerkt zich door een vloeiende, impressionistische stijl, die ook de affectie voor strijkinstrumenten van Villa-Lobos laat horen. Als kind kreeg hij al vioollessen van zijn vader. Deze indrukken en ervaringen zijn terug te horen in het hele oeuvre van Villa-Lobos. De componist heeft zelf twee versies gemaakt van dit werk, een voor viool en piano en een voor cello en piano. De kracht van het stuk zit hem in de repeterende arpeggio’s in het hogere register, op de piano en de lange, trage en uitgerekte melodie daarboven (die zich overigens extreem goed leent voor de saxofoon) door deze textuur kan de luisteraar zeker ook elementen van Debussy en Ravel herkennen.

Aleksander Glazunov (1865-1936)  
Chant du ménestrel  Op. 71, cello/orkest of piano (1901), Arr. S. Beumer   
            
De Chant de Menestrel van Aleksandr Glazunov is gecomponeerd in 1901, voor Alexander Wierzbilowicz, de solo cellist van de tsaar. Oorspronkelijk was het werk voor cello en orkest, maar de componist heeft zelf ook een versie voor cello en piano gecomponeerd. Reeds eerder is er een transcriptie voor saxofoon en piano van dit werk gemaakt, namelijk in een versie voor altsaxofoon en piano. Helaas moet Sander Beumer zeggen dat deze transcriptie weinig toevoegt aan het werk, omdat de ligging op het instrument te laag is en heeft daardoor te weinig reliëf en kleur, Derhalve heeft hij gekozen voor een transcriptie voor tenorsaxofoon en piano. In deze instrumentatie komt de melodie precies in een kleurrijk en sprekend register van het instrument.

Luisteren:
https://youtu.be/2BYw7auixqw?si=_iMtgUkZpMB-W9TB

Hans Gál (1890-1987)            
Suite for Alto Saxophone/viola and piano, Op.102b (1949)       

De stijl van de muziek van Hans Gál heeft haar wortels in de Oostenrijks-Duitse muziektraditie, maar vanaf de jaren 20 begon Gall een eigen muzikaal idioom te ontwikkelen, waaraan hij tot zijn dood trouw bleef. Gál was geen volger van nieuwe trends uit de periode waarin hij leefde, hij bleef altijd trouw aan zijn geloof in de tonaliteit Tegelijkertijd laat de muziek van Gál zich toch niet onder een noemer vangen. Aan de ene kant de klare lijnen en vormen van de 18de eeuwse, Weense componisten en tegelijkertijd ook een opvallende humor en bewegelijkheid in zijn muziek. Tevens tref je sterk romantische invloeden aan, chromatische harmonieën en pré-seriële ontwikkelingen. Dit alles gelardeerd met een sterk contrapunt, verwijzend naar zijn diepe adoratie voor het werk van J.S Bach.

De suite concertante, 102 b uit 1949 is een kleurrijk werk en voor de luisteraar zeer onderhoudend, Gál heeft dit werk voor zowel altviool als altsaxofoon uitgebracht. Beumer & Van Ham verkeren de gelukkige omstandigheid, dat zij via nabestaanden van Gál een foutloos en origineel manuscript hebben mogen gebruiken voor de uitvoering van dit werk.

Luisteren:
https://youtu.be/xeYC7r8NJuM?si=AnKbZ6tu8IgJTicU 

Max Bruch (1838-1920)             
Romanze Op.85, 1911 voor altviool en orkest/piano, Arr. S. Beumer.                                                                                                   
De Romanze voor altviool en orkest/piano is in 1911 gecomponeerd voor de altviolist, Maurice Vieux, toenmalig aanvoerder altviolen van de Opera de Paris. De stijl van het werk laat zich eenvoudig duiden en verklaren, middels de titel, een Romanze was in de 15de eeuw, in Spanje en Italië een doorgaans vocaal werk, waarin de liefde bezongen werd.

Bruch is zijn hele leven trouw gebleven aan zijn eigen, laatromantische idioom, hij was daarmee regulier ouderwets. Bruch’s liefde voor het timbre voor de middenstem en donkere kleuren, tref je ook aan in zijn werken voor klarinet en cello, maar zeker in de romanze voor altviool. Sander Beumer vindt de transcriptie voor de altsaxofoon zeer geslaagd. Hij durft zelfs te zeggen dat deze versie hier en daar de saxofoonversie de altvioolversie overstijgt. Hoe dan ook de Romanze van Bruch op altsaxofoon voegt iets toe aan het werk en is een aangename kennismaking voor het publiek.   

Luisteren:
https://youtu.be/9Avonxk2bDo?si=xxjEIalaXbAhlllq